Irohajima

Uiteindelijk lag ik in Yobuko toch net niet helemaal lekker, ook deze havenkade had weer het probleem dat bij hoog water er nog maar 5 à 10 centimeter kade over is. Daar willen je planken en stootwillen dan makkelijk overheen wippen, en ligt de gevoelige geschilderde waterlijn van de boot tegen de kade te schuren. Dus in plaats van de volgende dag op het elektrische stepje naar de octopus verkopers ietsje verderop maar als de sodemieter weer weg. Jammer, ik had er graag nog wat langer gelegen. Hierna stond de baai die we tijdens de rit van Hirado naar Fukuoka al hadden gespot op de planning. Om bij de werf te komen waren we toen het eiland Fukushima rondgereden, ook om een lunchplekje te vinden. Helaas waren ze allemaal dicht, maar we hebben wel het hele eiland gezien! En dus de baai ten noord-oosten van Fukushima. Ook nu was er weer nauwelijks wind en moest alles op de motor worden afgelegd. 3, misschien 5 knopen, allemaal een beetje thermische wind waar je dus niks aan hebt.

Onderweg snapte ik wel waarom zelfs Kirk deze baai nooit bezocht heeft. Je draait af een grote baai in en die is niet bijzonder aantrekkelijk. Een grote kolencentrale met twee enorme schoorstenen, en daarna de grootste kerncentrale van West Japan. Vervolgens nog scheepswerven en andere industrie. Dus je denkt: waarom zou ik hier doorvaren? Zelfs ik twijfelde een beetje. Gelukkig maar. Twee hoekjes om en opeens valt je mond open. Geankerd midden tussen een enorm aantal kleine eilandjes, de ene nog schattiger dan de ander. Met allemaal wat wij “Japanse” bomen noemen: kromgegroeid, niet erg hoog, maar wel heel mooi. En dan ook nog allemaal rotsen die elk uur er anders uitzien dankzij het licht. Ik denk dat het de mooiste ankerplaats is waar ik ooit gelegen heb. En ook nog super beschut, de baai en de eilandjes zorgen voor heel weinig golfslag, de hoge heuvels er om heen remmen de wind. Je ziet wel wat bewoning, een gehuchtje, een randje van een bootwerf, een hotel (gesloten) met een strand. Heel in de verte wat elektriciteitsleidingen. Op het gebruikelijke “dorpsalarm” na (om 07:00, 12:00, 17:00 en 18:00 wordt er een deuntje gespeeld) hoor je hélemaal niks.

Uiteindelijk bleek de plek die ik uitgezocht had zelfs een “mooi plekje” symbool te hebben op Google Maps, zie Irohajima. Ik citeer een van de reviews:

De Iroha-eilanden (Irohajima) vormen een verzamelnaam voor talloze onbewoonde eilanden in de zee tussen Hizen-cho (stad Karatsu, prefectuur Saga) en Fukushima-cho (stad Matsuura, prefectuur Nagasaki), in het oostelijke deel van de baai van Imari. De naam wordt soms geschreven als Iroha-jima. Men spreekt van 48 eilanden; de naam “Iroha-eilanden” is afgeleid van de 48 tekens van het Japanse lettergreepschrift (de “Iroha”). Tot de belangrijkste eilanden behoren Benten-jima, Matsushima en Takenoko-jima.

Aantal eilanden: 48 (afhankelijk van de afbakening). Eilanden aan de kant van de prefectuur Saga worden soms wel en soms niet tot de Iroha-eilanden gerekend.

Bestuurlijk gezien vallen ze allemaal onder de stad Matsuura (prefectuur Nagasaki), maar eilanden aan de kant van de prefectuur Saga, zoals Shimayama-jima, worden soms ook tot de groep gerekend. Vanwege het prachtige uitzicht op de archipel vanaf de uitkijkpunten in het Mitsukoshi-park (Hizen-cho, stad Karatsu) en het Oyama-park (Fukushima-cho, stad Matsuura), worden de eilanden vaak genoemd in toeristische gidsen voor de prefectuur Saga en de steden Karatsu en Matsuura. Volgens de legende was de beroemde boeddhistische monnik Kobo Daishi zo onder de indruk van het adembenemende landschap dat hij zijn penseel liet vallen tijdens het schilderen. Het gebied maakt deel uit van het Genkai Quasi-Nationaal Park.

Omdat de eilanden in een baai liggen, is het omringende water kalm; dit maakt het gebied tot een populaire locatie voor parelkweek en een bekende vindplaats van wilde oesters.

Na een dag uitrusten en alleen zijn besef ik me opeens dat ik daar aan toe was. Heel erg zelfs. Ik ben dan ook al 12 maanden onderweg (met twee keer een maand thuis er tussen) en sinds Panama in begin Mei was het eerst 9000 mijl de pacific over en daarna een maand lang allemaal indrukken en elke twee drie dagen weer een ander plekje. Ik bedenk dat dit nergens voor nodig is nu, en besluit dan ook net zo lang te blijven tot ik het zat ben.



De volgende dag zie ik dat er 3 kilometer verder een haventje is met een BBQ plek die door de lokale vissers gerund wordt. Alleen in het weekend open, dus. Je koopt daar een zak oesters, kijkt hoe het moet (ze doen het voor) en vervolgens moet je ze dan zelf op de BBQ bereiden. Dat klinkt echt geweldig. Op zaterdag denk ik uiteindelijk: nog steeds geen puf, maar ik los wel alvast het bijbootje zodat ik de volgende dag “klaar” ben. Vervolgens pak ik het benzine tankje. Ehhh dat is suf, de ventilatieknop heeft open gestaan sinds de San Blas, en dus is alle benzine verdampt! Tja, zo kan ik niet naar de kant. Uiteindelijk kook ik mijn Mexicaanse bonenschotel, ook lekker. Alleen de derde dag snap ik ‘m wel.

Ik pak een paar bootklusjes aan en kan lekker concentreren op de open source software waar ik mee bezig ben. Helaas zijn er ook wat “management” zaken die daar spelen. Door het gebruik van AI is het opeens makkelijker dan software te schrijven dan om het te beoordelen of het wel “past” in het grote verhaal, en duiken er opeens allerlei irritaties op tussen (andere) ontwikkelaars. Ik word als een van de oprichters van Signal K gevraagd om te kijken of we een ruzie kunnen sussen. Ik ben hier de neutrale partij maar erger me wel aan een Finse ontwikkelaar die niet heel erg flexibel is. Zoals de andere Finse mede oprichter zegt:



Hoe buigt een ingenieur een spoorstaaf? De slimste geeft toe.

Uitleg
Oftewel, een ingenieur is dommer en minder flexibel dan een spoorstaaf…

Het goede nieuws is dat als je wat ouder wordt je geleerd hebt hier wat soepeler mee om te gaan, dus ik laat het mijn eigen humeur niet verpesten. Had ik al gezegd hoe mooi het hier is? Ik kom helemaal tot rust…

Ondertussen komt er een open bootje met 3 mannen, twee met een oranje zwemvest, langs. Ze wijzen op de vlag en vragen “America?” Nee, “Oranda”. De monden vallen open. Vervolgens stellen ze nog een vraag, waarvan ik vermoed dat ze vragen of ik het hele eind ben komen zeilen. Ja, “Hai”, natuurlijk. Nu zijn ze helemaal ontzet, en beginnen uitgebreid te buigen en “ooooohhhh” te roepen. Ja, de wereld rondzeilen is iets dat 100% niet past in de Japanse belevingswereld, waarin je je moet conformeren en aanpassen en niet te veel uit de toon vallen. Maar ze vinden het dus wel leuk als je het wel doet. Ook in de eettentjes waar ze soms wat minderwaardig naar je kijken eerst, je bent immers maar een vreemdeling (“Gajin”), draaien ze helemaal bij als Marion zei dat ik was komen zeilen, helemaal uit “Oranda” (via Olanda, Holland.) Met een “Yotto”, het japans voor zeilboot. Eén keer raden van wie dat een leenwoord is.

Pas na een week in deze baai ga ik uiteindelijk op naar de volgende plek. En dan vooral omdat er een weersverandering op komst is; als ik donderdag (3 september) niet ging dan lag ik nog een week vast, en zonder vervoer naar de kant wordt het dan wel lang. Op woensdag overleg ik met Kirk en Mari van Konpira, en uiteindelijk vaar ik donderdag in één keer naar Kamigoto Umi sea station op Nakidori, het grootste eiland van de Goto eilanden. Maar daarover de volgende keer meer.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.